locker's fictie
Maandag 10 januari 2011 begon de verschijning van revers locker’s vierde e-mailroman “Over Die schreef” als feuilleton in wekelijkse afleveringen op zijn site http://boekenopener.bekijknu.nl. Deze afleveringen zijn voor iedere belangstellende te volgen. Gemiste afleveringen kunnen bij de auteur worden opgevraagd op het e-mailadres boekenopener@live.nl. Desgevraagd worden deze gratis toegezonden. Enige honderden nieuwsgierigen hebben al eerder van de sinds een jaar geboden gelegenheid gebruik gemaakt om het manuscript “Over Die Schreef” in z’n geheel als e-mail aan te vragen. Ook aan deze toezending zijn geen kosten verbonden.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitgeverij De Bezige Bij,
t.a.v. de heer Robbert Ammerlaan
--------------------------------------------------------------------------------------------------
Geachte heer Ammerlaan,
Niet alleen Jules Verne schreef fictie die later werd gerealiseerd. Tot mijn stomme verbazing en wrevel heeft een fragment uit mijn roman ‘Over die schreef’ - die via http://boekenopener.punt.nl als e-mailmanuscript gratis toegankelijk is, en uw uitgeverij uit eerdere correspondentie bekend zal voorkomen – min of meer model gestaan voor vernielingen op verkooppunten aan talrijke exemplaren van ‘Bonita Avenue’ , het knappe romandebuut in druk van uw auteur Peter Buwalda. Jaloezie, blinde woede, publiciteitstunt, hufterigheid of wat dan ook; ik kan me de onaangename confrontatie goed voorstellen, en hoop dat de ellende voor de betrokkenen snel is afgelopen en de dader gepakt.
Hieronder geef ik nog even een deel van het fragment weer:
“…Dat gaf hem voor het moment overmoed. Een mens hoefde niet altijd sceptisch te zijn. Hij liep fluitend een boekwinkel binnen. Jasper op jacht. Eén van zijn favoriete bezigheden was zijn eigen record te breken van wat hij bij zichzelf noemde "foute boeken mollen". Een stil verzet tegen de wereld die hem niet mocht begrijpen.
Zorgvuldigheid troef. Alleen boekerijen met een behoorlijk aanzien, en een flinke voorraad op het terrein van wereldliteratuur kwamen in aanmerking voor een regelmatige beurt. Zo eens per kwartaal een zaak, anders zou het opvallen. De tweedehandse markt en de kleine alleen op Nederlandse belletrie gerichte handel interesseerden hem niet, evenmin als sciencefiction, de pornokramen en de sectie dames- en streekromans. De onder handen te nemen winkel moest een goede reputatie hebben en aan rubriceringen niets te wensen overlaten.
Hij mengde zich vooral op regenachtige dagen als het binnen voller was dan normaal onder de bezoekers. Hij wist dat hij het minst opviel onder het slag belangstellende fijnproevers, dat er de tijd voor neemt om uitgelezen werken langdurig te bestuderen, te bevingeren en er diepzinnig in te neuzen.
Succesnummers onverkoopbaar maken, dat was zijn streven. Zijn meest geslaagde truc betrof de plakkertjes. Hij had er een fijne neus voor welke stickers zonder problemen en zonder resten achter te laten snel van de omslag konden worden afgehaald. Met het manipuleren van losse kaarten voorin de inkijkexemplaren ging het nóg eenvoudiger.
Jasper had er slag van gekregen niet alleen de gecodeerde plakkers te verwijderen, te verfrommelen en onopvallend uit z'n handen te laten vallen, maar ook om ze te verwisselen. Hij begon bij het ene boek, bracht de sticker aan op een andere titel, haalde de goede plakker dááraf en ging zo door met een stuk of tien boeken voordat hij tenslotte het eerste boek weer voorzag van het aftreksel van het laatste.
Meer dan tien boeken per ronde durfde hij niet aan. Dat vond hij te riskant. Bovendien leverde het maken van ezelsoren en scherpe vouwen in bij voorkeur engelstalige bestsellers hem toch ook al een behoorlijke score op.
Zijn schijnbaar rustige gedrag bleef constant. Hij pakte een boek, bestudeerde het en sloeg willekeurige bladzijden op en om. De valse vouwen maakte hij met zijn linkerduim, terwijl zijn rechterhand de wandaad bedekte. Menige Boyd, Rowling, Burke en Sutcliffe werd zo het slachtoffer. Afgewisseld met het naar buiten knakken van de slappe rug van paperbacks (drie keer per exemplaar was zijn limiet) om lelijke misvormingen in de strakke afwerking te bewerkstelligen. Goed werk maar uiteindelijk net zo onverkoopbaar als z`n eigen schrijfpogingen.
Een andere variant betrof, naast beschadigend doorbladeren, het bezoedelen van briljante frasen door met smoezelige vingers vuile vegen te maken, geholpen door een slechte kwaliteit drukinkt die vettig uitvloeide over inferieurgrauw papier... “
Misschien kan deze e-mail bijdragen aan het versnellen van de oplossing van dit probleem.
Vriendelijke groet,
revers locker (ps.) http://boekenopener.punt.nl
locker's info
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Buitenland, november 2010,
Beste locker,
Nog even over de verkleuterisering van Nederland.
Ik woon nu alweer een tijdje in het buitenland (ik zeg niet welk, want dat is onbelangrijk), dus ik mag met recht oordelen over hoe het met Nederland en zijn literatuur gaat. Nederland noemen wij hier overigens niet ‘buitenland’ maar ‘boeteland’ – de reden zij duidelijk: hier kun je voor € 5 foutparkeren zolang je wilt. Verder dan de hoogte van de boetes volg ik eigenlijk niet veel meer dat zich daarginds afspeelt in de modderpoelen achter de duinen. Niet veel op cultureel, politiek, literair of welk terrein dan ook. Ik meen dus onbevooroordeeld te zijn en te beschikken over een adelaarsblik.
Er komt hier soms wel eens een vermoeide, bestofte reiziger aan, die dan onwaarschijnlijke Indianenverhalen opdist over wat er ‘thuis’ gebeurt. Als gauw valt dan mijnerzijds de term ‘verkleuterisering’ en verzoek ik deze kosmopoliet een ander, waardiger onderwerp aan te snijden.
En toch kan ik – ondanks de dinosaureske hoeveelheden bewijs – het maar moeilijk geloven, of wil ik het maar moeilijk geloven: Nederland verkleuteriseert; het land van reuzen als Grote Pier, Art en Keessie, Kees en Wim, Jan Wolkers, Michiel de Ruyter, Willem de Zwijger, Couperus, Anton Philips, Jan Vermeer, Johan Cruyff, Piet Mondriaan. Een land van reuzen verkleuterd... Ik nam de opgewonden berichten van de opgewonden reizigers met een flinke schep zout, en wond mij er verder niet over op.
Tot vorige week.
Voor mijn verjaardag (de hoeveelste alweer houd je hier niet echt bij....) voor mijn verjaardag had ik van zo’n met stof en paardenschuim bedekte pelgrim uit de Lage Landen een boek gekregen. Het had al enige tijd op de stapel ‘te lezen’ zijn beurt afgewacht tussen allerlei werken van niet-Nederlandse schrijvers. Bibberend, verlegen en houterig lag het daar – de eigenschappen waaraan wij hier altijd feilloos de Hollander kunnen herkennen op terrassen en op straat.
Het boek in kwestie heet – even kijken – Omwille van de troon. Ja, ‘troon,’ een hoofdwoord in een titel met kleine t, in tegenstelling tot wat wij academici altijd voor ogen hadden, hebben en zullen blijven houden tot wij onze laatste wijsheid debiteren. God, het Leidse Stijlblad – kom daar nog eens om! Misschien is het inmiddels omgedoopt tot Lijdse Steilblat. Wie zal het zeggen?
Maar er valt – dat spreekt – nog meer dan deze kleine t te melden!
De schrijver van deze ‘literaire thriller’ van 510 kantjes blijkt ene Tomas Ross te zijn – zonder t. Naar alle waarschijnlijkheid dus een man van allochtone komaf: Brits, Hongaars, Belgisch, Venezolaans? Wellicht een broertje van de beroemde kitschschilder Bob Ross? Bij navraag op het Internet blijkt de man gewoon een bibberende, verlegen, houterige Hollander te zijn die Wim Hogendoorn heet. Niets mis mee, dacht ik.
Achterop het boek prijkt een portret van de auteur: een best wel sjiek ogende oudere man met een losliggende stropdas en vermoeide, naar alle waarschijnlijkheid alcoholische ogen. Ik had de naam wel eens gehoord, maar ik had van deze sjieke man met losliggende stropdas en ogen nog nooit iets gelezen. Nu – daar ging hij dan... Mijn ontrossing! Let op, met slechts één t.
Eén ding staat voorop – en dat kan niemand Ross zonder t afnemen: ik heb het boek uitgelezen, wat ik niet van elk mij geschonken Nederlands literair werkje kan zeggen. Die Ross zonder t schrijft vlot.
De grote John Wayne zou zeggen: te vlot. Ik sluit mij daarbij aan: te vlot.
Ik vermoed dat Ross zonder t dit boek in zeven haasten heeft neergepend, zoals metselaars onder tijdsdruk wel eens slecht werk moeten afleveren, of gehaaste chauffeurs van de weg afraken.
Heel lang geleden heb ik wel eens ergens gelezen – of gehoord of misschien ook wel bij geruchte vernomen – dat onze grote Wolkers geen manuscript de deur uitdeed vóór hij en zijn onvolprezen Karina het werk maar liefst 200 maal door de stofkam gehaald hadden. Sinds de komst van spellingspeurders in onze comedyputers werkt natuurlijk geen mens meer zo achterlijk nauwkeurig – dat is aan Ross zonder t goed te merken. In zijn comedyputer zou een bronnen- en tantebetjecontrole goed passen.
Ik ontving ooit van een medewerker van een Officier van Justitie een brief van nog geen half kantje – zonder spelfouten maar met maar liefst achttien taalbrullers. Dat is verkleuterisering. Sommigen noemen het misschien incompetentie.
Nu Ross zonder t. Ik geef hier een bloemlezing van zijn missers, die in een opstel van een Havo-3 leerling prima zouden passen, maar niet in een gepubliceerd boek. Ik gebruik daartoe de vijfde druk uit 2009 – dus vier drukken heeft Ross zonder t de gelegenheid gehad te saneren.
Op pagina 87 vindt de aandachtige lezer een schrijfmachine ‘waarvan de g enkele millimeters lager stond’ (dan wat, vraag ik me dan af, maar goed, in mijn coulantie ga ik ervan uit dat dit de andere 25 letters moeten zijn). Hier geeft Ross zonder t overduidelijk blijk van een gebrek aan oriënteringsvermogen, en onwil om daar iets aan te verbeteren. Ik bedoel – Ross zonder t had toch zijn manuscript kunnen laten nazien door een redacteur – iemand met algemene ontwikkeling en Internet en zo.
De letter g van een gemiddelde schrijfmachine – ik bezit er enkele voor straks in WO III- is nog geen 3 mm hoog. Op die aloude machines bogen de pootjes na jaren trouwe dienst wel eens wat door, waardoor inderdaad sommige letters wat uitzakten of opklommen, maar meer dan een halve mm is absoluut onmogelijk, want dan raakt de letter de rol niet eens meer.
U ziet het: Ross zonder t heeft kennelijk geen redacteur, laat staan een schrijfmachine.
Bladzijde 79: ‘die velen ... die uit de Duitse kampen terugkwamen.’ O, een Holocaust-ontkenner, die Ross zonder t. Niet mooi jongen.
Bladzijde 37: ‘het Oude Loo [op de Veluwe] ligt daar niet ver vandaan.’ ‘Daar’ is op deze pagina de Amsterdamse Prinsengracht. Het moge zonder twijfel gezegd worden: de topografie van ons kleine landje gaat Ross zonder t boven de pet . Voor de Haagse topografie heeft Ross zonder t hulp gehad, dat kun je merken, al is het alleen aan het feit dat hij de Hagenaar Wim Klinkenberg (†) bedankt.
Maar topografie is niet Ross zonder t’s enige zwakke vak. Techniek is ook niet best. Op pagina 29 brengt iemand een onwillige Solex aan de praat met ‘een draaiende beweging’. Dat Ross zonder t hier in het technisch duister tast, moge duidelijk zijn. Waaraan draait de man? Ja, ik ben geboren en getogen in een (brom)fietswerkplaats – ik wil dat soort dingen zwart op wit. Ross zonder t heeft hier iets aan zijn huiswerk gedaan – het jaartal klopt bijvoorbeeld – maar lang niet goed genoeg om een voldoende te halen. Ergens anders vliegt er in het boek een DKW Meisterklasse in de brand. Daar zijn technisch gezien toevallig twee heel goede redenen voor, maar Ross zonder t komt als oorzaak van de fik niet verder dan het optreden van een ‘schurend geluid’. Deze auto’s – moet u weten – hadden de brandstoftank in het motorcompartiment en de opbouw van de carrosserie was van hout.. Solex noch DKW heeft Ross zonder t diepgaand bestudeerd.En ik sta op zoiets! Voor een historische roman moet je minimaal twaalf jaar onderzoek plegen.
Pagina 247 ‘Bekonkelefoezeld’. Een aanwijzing – geen bewijs hoor! dat Ross zonder t hem wel lust. Ik kende dat woord niet. Ik wil er dan ook niet te zwaar aan tillen.
Bladzijde 488: De telkens in het laatste deel van het boek optredende Graaf Schimmelpennick is plotseling tot Baron afgezakt... ach....
Kantje 460: Nog even over techniek, al is het zijdelings. Ross zonder t heeft weer een beetje huiswerk gedaan en weet dat er tot in de jaren 50 provincieletters op de nummerborden stonden. Maar Zuid-Holland had géén ZH zoals Ross zonder t ons wil laten geloven. Zuid-Holland had H. Het waren persoons- en niet voertuiggebonden nummers. Mijn vader bijvoorbeeld had altijd H 46310. Als Ross even in een fotoboek van pak hem beet Den Haag had gekeken, was hem dit wellicht opgevallen. Maar geen tijd, geen redacteur, geen t. God ja – hoe zou het met die Deelder gaan?
Op de laatste bladzijde – dan is de tijdsdruk natuurlijk tot ondraagbare waarden gestegen – verandert de personage Kampman plotseling in Zwolsman. Ja – als je Kampen en Zwolle niet uit elkaar weet te houden, en Hattem een dorp noemt. Had Ross zonder t soms rij-ontzegging dat hij geen kort bezoek aan de Veluwe kon brengen bij de research voor dit werkje? Al dat soort dingen schieten er toch door je hoofd. Ja, je probeert die man te begrijpen.
Maar dan de absoluut grootste bruller is toch wel Ross zonder t’s kennis van de werken van Karl May. Hij lijkt me ook precies zo’n figuur die May als ‘mee’ uitspreekt. Let op en huiver. Op bladzijde 75 lezen we dat in Karl Mays De Llano Estacado Old Wabble in een gespleten pijnboom wordt doodgemarteld door Apaches. Hij geeft daarbij geen kik.
Jezus!!!
Dat met Old Wabble gebeurt niet in De Oase in de Llano Estacado maar in De Duivelskop in het Rotsgebergte, vanaf 1962 Het Geheim van Old Surehand (Duits: Old Surehand II).
Het zijn – godverdegodver! – natuurlijk niet de Apachen die Old Wabble doodmartelen in een gespleten boom, maar de Utes. Het was geen pijnboom maar een spar. En waarom gaf Old Wabble geen kik? Niet omdat hij zo heldhaftig was – nee, de Utes hadden hem een mondprop gegeven, en die apart stevig dichtgebonden. Even later, als de Koning der Cowboys door Old Shatterhand, Winnetou en hun metgezellen bevrijd wordt en de prop wordt weggenomen, geeft de oude schurk wel degelijk een kik. Sla het maar na, meneer Ross zonder t. Vijf blunders op een rijtje. Hoe krijg je het in Godsnaam voor elkaar?
En dan naast de bron-blunders komt het taalgebruik van Ross zonder t. Handenvol tantebetjes (pagina 215 ‘Van Vogel....’)., anakoloeten, weglatingen, verdubbelingen, aperte fouten zoals ‘niet nadat’ in plaats van ‘nadat’ of ‘niet voordat’ (p 279), zinnen die door een komma en niet door punt en hoofdletter gescheiden worden, het aloude ‘wijds’ in plaats van ‘weids (p 209), het afgrijselijk anglicisme ‘dat is wat’ in plaats van ‘dát’, het germanisme ‘als gezegd’ in plaats van ‘zoals gezegd’, ‘kwaliteiten’ in plaats van ‘goede eigenschappen’ (weer een lelijk anglicisme), ‘het kippenhok verschonen’ en niet schoonmaken (p 22), hele alinea’s in de plusquamperfectum (p 217) en honderden stuntelige zinnen die een goed redacteur met de mantel der liefde bedekt had. Maar – zoals gezegd – Ross zonder t zal op een redacteur bezuinigd hebben. Bovendien kan ik me voorstellen dat in de omgeving van Ross zonder t niemand deze ondankbare taak op zich zou willen nemen – gesteld dat Ross zonder t zo eerlijk zou zijn te erkennen dat zijn produkt nog lang niet af is. Ik geef van zulke zinnen maar drie voorbeeldjes – we hebben niet heel de dag, tenslotte. Op bladzijde 214 lezen we met gekrulde tenen – om over andere lichaamsdelen nog te zwijgen: ‘Thijsse moest dat gezien hebben toen Vogel zich waarschijnlijk in de bijkeuken had opgeknapt.’ Ergens anders gaat het over een brief: ‘Er had een postbusnummer onderin (sic) gestaan waarheen men binnen een week verzocht werd te schrijven.’ Jezus Jezus Jezus, sta ons bij in dit uur van ons diepste nood.
Toch kan ik wel iets ten plusse zeggen over dit werkje: waar Ross zonder t schrijft over Prins Bernhard, daalt het tempo, stijgt het niveau, en merk je zelfs een zekere liefde voor het vak. Een mooi stukje vind ik waar de Prins en zijn hond op jacht gaan. Maar – wederom op het Vangnet gevonden – Ross zonder t blijkt onder meer scenarii te produceren voor tv series over juist deze Prins Bernhard – hier heeft de man dus wat dieper gezocht, en goed overgeschreven. Misschien was er in Hilversum wel een redacteur!
Dat dit werkje een kassucces, een bestseller, een blockbuster is, duidt erop dat de gemiddelde lezer van de Troon niet erg veel geeft om correct taal- of brongebruik, mensen met weinig opleiding dus. Ja, Ross zonder t levert een product waarnaar vraag is – vlot, spannend, goedkoop, beetje scabreus en niet moeilijk doen. NRC en Volkskrant sluiten zich – als je de omslag leest – hierbij zonder bedenken aan.
Laten wij academici het Ross zonder t niet euvel duiden deze verzameling vlotte troep te hebben geleverd: u vraagt immers, wij draaien! Het volk krijgt de boeken die het verdient, vlot geschreven actiefilms, maar dan met lettertjes. Dat houdt de mensen van de straat, en dat is goed. Maar één ding neem ik deze exponent van de Nederlandse verkleuterisering wél kwalijk, namelijk het op de omslag van Omwille van de troon (met kleine t) voorkomen van de aanduiding LITERAIRE THRILLER.
‘Thriller’ had in orde geweest. Dan had u mij niet gehoord. Dat dekt de lading. Maar de literatuur is een spiegel van de ziel. Omwille van de troon met kleine t is geen literatuur, geen spiegel. Het is een tv-scherm, zo’n plat model dat je tegenwoordig overal bij de mensen thuis ziet hangen en staan. Ultraplat.
Groeten,
L.W. van Poortland
Ergens in het buitenland.